Mijn grootste fout

28 februari 2019

We schrijven tweede helft jaren tachtig. Locatie: in onze toen nog echte plattelandspsychologenpraktijk die we in 1978 waren gestart. Naast het behulpzaam zijn bij psychische aandoeningen van de plattelanders, werkte ik hard aan een eerste Nederlands handboek over persoonlijkheidsstoornissen. Door de aparte as voor persoonlijkheidsstoornissen in de DSM-III uit 1983 kregen deze nu extra aandacht van psychologen en kwam er veel onderzoek naar op gang. GeÔnspireerd door Otto Kernberg en Theodore Millon werkte ik zo hard aan het thema persoonlijkheidsstoornissen dat ik deze aandoeningen overal in mijn werk tegenkwam. Zoals het een kind vergaat zodra het een hamertje krijgt: de hele wereld gaat op een spijker lijken.

Een mevrouw, tweede helft dertig, vroeg mijn hulp en na uitgebreide psychologische diagnostiek stelde ik een obsessief-compulsieve persoonlijkheidsstoornis vast. Indicatie: procesgerichte psychotherapie met gebruikmaking van gedrags- en cognitieve technieken, wekelijks. En dit hielden we samen zeker twee jaar vol, ook al zei ze praktisch elke week: “Dr. Derksen het helpt niet, het werkt niet, ik heb er niks aan”. Behalve dat ze boos op me was huilde ze ook veel. “Ik kan niks weggooien, de oude tappijnen liggen nog steeds in huis, ik kan niks nieuws kopen, indien ik het toch doe moet ik het de volgende dag terugbrengen.” Ze vroeg me bij haar thuis te komen, en als huispsychologen was dat een kleine moeite, een paar honderd meter van de praktijk vandaan werd mij duidelijk dat ze niet overdreef. Haar zoon had ook klachten, ik dacht aan een gedragsstoornis. Haar broer sprak nooit. Haar man stortte zich op zijn sport.

Met de kennis van nu is de rivaliserende hypothese: autisme spectrum aandoening, ook bij haar broer en ook bij haar zoon. Alles goed en wel maar in de jaren tachtig bestonden er geen hoog functionerende patiŽnten bij wie we aan autisme dachten. Wat was dan mijn grote fout? Ik ging maar door en liet haar lijden aan een behandeling die niet hielp. Ik had moeten stoppen en haar kunnen zeggen dat deze behandeling geen zin had en dat we niet goed wisten waarom het niet hielp. Desnoods had ik haar voor een second opinion kunnen verwijzen. In plaats daarvan vroeg ik aan de huisarts de psychologische behandeling aan te vullen met een antidepressivum, toen nog clomipramine, 120 mg, er waren nog geen milde SSRI’s, Prozac was nog maar net in de USA verschenen. Behalve dat ze er dik van werd en nare bijwerkingen kreeg zoals droge mond, hartkloppingen, misselijkheid, hielp ook dit niet. Zelf was ze eigenlijk tegen medicatie maar ik wist haar ervan te overtuigen dit uit te proberen. Indien ik de behandeling had gezien als een toetsing van een diagnostische hypothese (obsessief-compulsieve persoonlijkheidsstoornis) had ik kunnen constateren dat de hypothese ondeugdelijk was aangezien de interventies geen effect hadden op de persoonlijkheidspatronen waarop ik ze richtte. Anders dan fysiologisch bepaalde autisme patronen komen psychologisch bepaalde patronen en processen namelijk in beweging indien er adequate interventies op worden gericht: verheviging van klachten, verminder of verandering van klachten. Daar zat mijn grootste fout. Ik had de conclusie moeten trekken dat mijn diagnostische hypothese niet klopte en dus de hypothese moeten bijstellen en indien er geen alternatief was moeten stoppen in plaats van doorgaan met oogkleppen op, ervan overtuigd blijvend dat de behandeling op enig moment effect zou sorteren. Uiteindelijk stopte ze er zelf mee, het was in de tijd dat veel patiŽnten hun eigen behandeling moesten betalen en ze had het geld er niet meer voor over, terecht. 

Vacatures

MEER OVER DEZE VACATURE >>

Opinie

Trajectum is ůůk GGZ-zorg,
ůůk forensische psychiatrie

Het beeld bestaat dat Trajectum staat voor Ďgehandicaptenzorg'. Dat beeld wil bestuurslid Evert Jan van Maren bijstellen. ĎWe richten ons op mensen met een licht verstandelijke beperking, maar altijd in combinatie met GGZ-behandeling en forensische zorg. Het werken op dit snijvlak maakt werken bij Trajectum zo interessant, juist ook voor mensen uit de GGZ.'V... Meer

Reageer |  reacties

Het trieste bestaan van het inactieve
geslachtsorgaan

Hoe ik in deze situatie terecht ben gekomen, weet ik niet precies. Volgens mij had het niet zozeer te maken met goesting, dan wel met eenzaamheid. In het deurgat kijken twee gezichten in mijn richting: een bleekbroos meisje onder invloed en een wellicht niet zo oude, maar afgeleefde pooier.ĎHoe heet jij?' vraag ik aan het meisje. Ze antwoordt niet.ĎJe hebt e... Meer

Reageer |  reacties

Navel als troostputje

Ik besteed alleen aandacht aan mijn navel als ik eenzaam ben. Het kuiltje in mijn buikheuvel is een relict uit de mooiste tijd van mijn leven. Mijn navelvorm heet een innie; een ovale of ronde holte. Er zijn ook mensen met een outie, een bolletje of een knoopje. Mijn innie vult zich soms met navelpluis, het mooiste woord voor viezigheid dat ik ken. De binnen... Meer

Reageer |  reacties