DSM - Ontstaan en Gevolgen

14 september 2012

Een schets van het perspectief van DSM, in vijf delen - Deel 1

“Henk, die heeft ADHD, daarom is hij zo druk”; “Op Patricia moet je niet letten, die is hoogbegaafd”; “Karel is altijd al vreemd geweest, hij is een autist”. Dit type conversaties voeren kinderen op de speelplaats. Wat voor de leerkracht van vroeger gewoon een moeilijk kind was, kan nu een kind zijn met dyslexie, ADHD, autisme, PDD-NOS, of lijdend aan hoogbegaafdheid. De meetbare en dus voor iedereen observeerbare categorieŽn van de uit de VS afkomstige Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM) heeft in hoge mate bijgedragen aan de diversiteit en bekendheid van de labels. Met behulp van het internet is de DSM van iedereen geworden en tezamen met het oprekken van de grenzen voor het voldoen aan de stoornissen, hebben we ervoor gezorgd dat hele schoolklassen nu DSM categorieŽn verzamelen zoals ze vroeger omgingen met suikerzakjes en sigarenbandjes. De farmaceutische industrie heeft groot belang bij het oprekken van de grenzen van stoornissen in de richting van de normaliteit. Met de integratie van de DSM in de psychologie is er een accent in onderzoek, onderwijs en praktijk op pathologie ontstaan, waarbij de aandacht voor de normaliteit in de psychologie ernstig achterop is geraakt. De DSM werd een enorm succes. De overheid is het vaststellen van stoornissen bij jongeren geldelijk gaan belonen. Leraren hebben een nieuwe uitdaging gevonden in de psychodiagnostiek (classificatie) en nog meer tijd voor spelling en het handhaven van orde in de klas ingeleverd. Herhaaldelijk ontmoet ik patiŽnten die me de resultaten van hun zoektocht in de DSM komen voorleggen.
Mensen houden van observeren, ordenen, categoriseren en van classificeren. In de 18e eeuw wist de botanicus Carolus Linnaeus vooruitgang in zijn vak te boeken door de kenmerken van allerlei organismen nauwgezet te tellen en te beschrijven. De psychiater Emil Kraepelin deed dit rond de vorige eeuwwisseling met psychische stoornissen: zo precies mogelijk beschrijven en groeperen van de symptomen. Na Kraepelin kregen de vertegenwoordigers van de psychoanalytische en existentiefilosofische benaderingen greep op de psychodiagnostiek en zij trachtten betekenisvolle verschillen onder de waarneembare buitenkant van psychische stoornissen met behulp van theorieŽn aan te brengen. Met de toename van het diepte-inzicht, aan gedrag en beleving ten grondslag liggende patronen, in de mens nam de betrouwbare vaststelling van de klacht af: de diagnose die door een psychiater werd gesteld hing meer samen met waar hij zijn opleiding had genoten dan met het ziektebeeld. Hetgeen men in de Europa onder schizofrenie verstond, was maar moeilijk te vergelijken met wat in de VS voor hetzelfde ziektebeeld doorging. Als reactie hierop verscheen begin jaren vijftig het classificeren ŗ la Kraepelin opnieuw op het toneel met de eerste versie van de DSM.
In 1980 verscheen de tot nu toe meest invloedrijke derde versie van de DSM op de markt. Destijds werden hiermee de psychiaters gered van hun onbetrouwbare diagnostische praktijken, de sterk opkomende gedragstherapeuten konden zonder veel gezichtsverlies hun enorme achterstand in psychopathologische nosologie oppoetsen en de ontdekkende gesprekstherapeuten vanuit een psychoanalytisch of cliŽntgericht kader werden met hun diagnostische modellen naar de zijlijn gemanoeuvreerd. Het systeem werkt met observeerbare en in principe empirisch toetsbare criteria: per stoornis moet je beantwoorden aan bijv. vijf van de zeven kenmerkende symptomen, syndromen of trekken om tot de categorie te worden toegelaten. In vergelijking tot de DSM-II uit 1968, schoof de gehele sfeer die de handleiding van de DSM in 1980 ademde fors op in de richting van een strikt empirische benadering. Was het daarvoor nog zo dat de auteurs van de diverse DSM versies het met de clinici op een akkoordje wilden gooien, nu koos men definitief voor het primaat van een empirische onderbouwing van de categorieŽn. Men voelde zich vanaf die tijd zeker van hun zaak en bracht een optiek versterkt tot uitdrukking die in de kiem van het DSM gebeuren steeds heeft rondgewaard. Deze oriŽntatie op empirisch onderzoek in combinatie met de nadruk op biologische factoren vormde altijd al een belangrijke kurk waarop de DSM dobberde. Het was en is tenslotte een systeem dat voortkwam uit de koker van in biologische structuren geÔnteresseerde onderzoekers.

Hulpverleners worden inmiddels door verzekeraars, die eveneens de DSM hebben ontdekt, gedwongen hun psychologische en psychiatrische diagnostiek te verengen tot classificatie en hiermee zich te onderwerpen aan een schijnbare transparantie die verpakt wordt in de onooglijke diagnose-behandelcombinaties. Hiermee wordt net gedaan alsof de diagnose en behandeling van een paniekstoornis kan worden vergeleken met die van een meniscus. De observeerbare buitenkant telt, de symptomen kunnen worden opgeteld en het mondt uit in geld. Wie bemoeit zich nog met diepere psychische patronen, wie doet er nog moeite een complexe theorie op te stellen over de egosterkte, gewetensdruk of introspectie? De klinisch psychologen en psychotherapeuten, opgeleid voordat deze hype begon, zijn hierop de uitzonderingen. Beschrijving is in plaats van verklaring getreden en leken denken geheel ten onrechte dat het etiket, dat alleen de symptomen en trekken ordent, een antwoord vormt op klachten: voor hen valt nu het kwartje, ze hebben ADHD of Asperger.  

Vacatures

MEER OVER DEZE VACATURE >>

Opinie

Geef mij tijd

Het is september en de vrijwilligers van het Koningin Wilhelmina Fonds voor de kankerbestrijding (KWF) komen langs met de collectebus. Het kan niemand ontgaan zijn. Radio- en televisiespotjes dringen zich aan je op. En waar je maar kijkt maken spandoeken en affiches ons erop attent. GEEF MIJ TIJD. Daarbij wordt meestal ook een portret getoond van iemand met kanker. Ik had zelf ook op zoín foto gekund, maar ik heb nu al vijftien jaar die op hol geslagen cellen en vind eigenlijk dat me sinds de diagnose al verrassend veel tijd is gegund. Daar klaag ik dus niet over. Langzaam aan beweeg ik me naar het moment dat de kanker me de baas is, maar zo ver is het nog niet. Wel heeft de behandeling van de kanker mijn leven danig ontwricht. Niet alleen dat van mij. Mijn vrouw moest op haar vijftigste ook wennen aan een heel andere man in huis. Elke keer dat ik langs een KWF affiche kom denk ik: GEEF MIJ KWALITEITTIJD.
Meer

Reageer |  reacties

Een zondebok aanwijzen helpt niet

In het boek ĎVeiligheid in de ggz. Leren van incidenten en calamiteitení dat psychiater Alette Kleinsman en calamiteitenonderzoeker Nico Kaptein onlangs publiceerden, komen drie lessen steeds weer terug. Een: het helpt niet om Ė in het geval van een ernstig incident of calamiteit Ė een zondebok te zoeken, want fouten worden gemaakt als sluitstuk van een proces waaraan allerlei professionals een bijdrage leveren. Twee: zorg voor een open cultuur waarin iedereen zich vrij voelt om elkaar aan te spreken. En drie: zorg ervoor dat iedereen zich verantwoordelijk voelt voor veiligheid.
Meer

Reageer |  reacties

Duizend bloemen, een paar teveel

Hoogleraar Jim van Os sprak recent in NRC Handelsblad zijn zorg uit over de achteruitgang van de psychiatrie in Nederland. Het toenemend aantal gevallen van euthanasie bij mensen met ernstige psychische aandoeningen is daar volgens hem een symptoom van. De verwaarlozing kost mensenlevens. Hij bepleit een focus op persoonlijk herstel. Marian Draaisma van zorginstelling Pluryn klaagde in dezelfde week in het AD over een verschuiving van werkzaamheden van de jeugdpsychiatrie naar de jeugdzorg. Dit verklaart volgens haar waarom het aantal suÔcides bij de betrokken jongeren nog nooit zo hoog is geweest. Ook hier gaat het om vragen over leven en dood. De oplossing ligt hier in de handen van gemeenten. En GGZ-instelling Emergis in Zeeland dreigde eind augustus met een behandelstop voor de rest van dit jaar. De zorgverzekeraar heeft te weinig zorg ingekocht.
Meer

Reageer |  reacties

Nascholingstrajecten