Vertrouwen in psychische zorg?

26 januari 2017

Ik denk niet dat ik er ver naast zit als ik stel dat in Nederland in en om de (psychische) gezondheidszorg het vertrouwen laag is. Overheid en zorgverzekeraars geven blijk van structureel wantrouwen jegens instellingen en beroepsbeoefenaren en omgekeerd geldt hetzelfde. Burgers mopperen wat af, zelfs als ze geen of weinig patiŽntervaringen hebben. En ook zorgverleners onderling nemen elkaar voortdurend de maat omdat ze het ‘gevoel’ hebben dat … En last but not least denken veel bestuurders en managers ook dat ze hun medewerkers maar matig kunnen vertrouwen. Het gevolg van dit alles is een permanente stroom aan nieuwe registratiemethoden, richtlijnen, protocollen, visitaties, accreditaties en wat al niet om het handelen van anderen te kunnen beoordelen en zo mogelijk ‘aan te sturen’.

En werkt het? Niet echt. Het is zeker gelukt om instellingen te laten blindstaren op ‘productiecijfers’. De tijd die medewerkers in het invullen van registratieformulieren stoppen is beslist toegenomen. En het aantal richtlijnen, protocollen en zorgstandaarden is absoluut gestegen – er komt geen eind aan –, al verwacht niemand dat al dat papier door iedereen wordt gelezen, laat staan ernaar handelt.

Zijn die gevoelens waarin het gaat om gebrek aan vertrouwen terecht? Zijn er goede redenen om als zorgverlener of burger de zorgverzekeraars of overheden te wantrouwen? En hebben die instituties niet gewoon gelijk als ze de wensen van burgers of patiŽnten niet zomaar accepteren en de werkzaamheden van zorgverleners met enig ‘gezonde’ scepsis tegemoet treden? Laat ik me in het vervolg van deze column beperken tot het vertrouwen van burgers of patiŽnten in hulpverleners. 

Wat hulpverleners willen of doen is – zij het met enige moeite – af te lezen van de websites van hun instellingen. Helaas heeft de afdeling voorlichting hier meestal de vrije hand; gedegen beschrijvingen zijn nauwelijks te vinden. Het is foldertaal troef, de presentatie van het ‘merk’ staat voorop. Over hoe de hulpverleners hun werk uitvoeren is nog minder te vinden. Ik hoop niet in de veronderstelling dat dit toch niet begrepen wordt. Maar echt schrijnend wordt het waar het gaat over de vraag waarom de instellingen, en dus al die hulpverleners, doen wat ze doen. Wat is hun boodschap, wat hebben ze andere mensen echt te bieden? Wat zijn hun waarden en diepste opvattingen? En dan doel ik niet op de met hulp van organisatieadviseurs opgeklopte mission statements, maar op datgene wat medewerkers en leidinggevenden werkelijk menen en met elkaar gemeen hebben. Hierbij gaat het mij niet om datgene wat men wil bereiken, de in cijfers uit te drukken resultaten, maar waar men voor staat en voor gaat. Het gaat hier om identiteit en authenticiteit. En in wezen betreft het de vraag wat zij voor ons als patiŽnt of burger (kunnen) betekenen. Waarom zouden mensen met psychische problemen van hun gebruik maken, althans, voor zover ze iets te kiezen hebben?

Wat en hoe hulpverleners iets doen, is belangrijk. Het technisch kunnen is echter niet voldoende onderscheidend. Wat hun cliŽnten of patiŽnten ten diepste interesseert, is waarom hulpverleners doen wat ze doen. Waarom ze zich voor anderen relevant willen of kunnen zijn. Relevantie impliceert dat we het gevoel hebben dat een hulpverlener werkelijk inspeelt op de behoeften van andere mensen. Dat laatste voorspelt dat hun cliŽnten er moeite voor willen doen om serieus naar hun boodschap en beloften te kijken of te luisteren. Er zo nodig gebruik van maken. Wat en hoe hulpverleners iets doen betekent op zichzelf nog niet zoveel. Het is althans een onvoldoende basis om vertrouwen te creŽren – hoeveel registratieformulieren er ook (waarheidsgetrouw) worden ingevuld.
Dat er over en weer zoveel wantrouwen is, tussen zorgverzekeraars en overheden versus instellingen, tussen bestuurders versus medewerkers, tussen hulpverleners versus cliŽnten, werken we nooit weg door registraties, richtlijnen, frisse websites en meer van zulke dingen. We moeten er mee ophouden daar zoveel het accent op te leggen. Het mag best maar het lost het vertrouwensprobleem niet op. Toets elkaar het liefst allereerst in de mate waarin de een, neem een hulpverlener, zich voor de ander, burgers en patiŽnten, relevant weet te maken en werkelijk inspireert. En kijk pas daarna op welke wijze dat gebeurt. Niet omgekeerd.

Dit thema is van uitzonderlijk belang voor de psychische zorg. Psychische problematiek maakt mensen heel kwetsbaar. Het grijpt direct in op hun identiteit, ondermijnt het zelfvertrouwen, roept stigma’s op, leidt tot discriminatie. Het heeft daarom de hoogste prioriteit dat iedereen die bij de psychische zorg betrokken is het scheppen van vertrouwen bovenaan zijn of haar agenda plaatst. En dat er consensus komt over de vraag waarom we deze zorg ook alweer willen, en willen verlenen. 

Bestuurders van instellingen moeten vertrouwen hebben in hun medewerkers en dit duidelijk uitspreken. Ze zullen merken dat al die bureaucratie niet nodig is. De hulp wordt er beter door.


U kunt Jaap van der Stel op twitter volgen via @Lectoraat_GGZ 

Vacatures

MEER OVER DEZE VACATURE >>

Opinie

Staat de patiŽnt wel centraal?

Enige tijd geleden sprak ik een vrijgevestigd klinisch psychologe over haar ervaringen binnen de geestelijke gezondheidszorg. Zij vertelde over een depressieve patiŽnte die zij wilde verwijzen naar de crisisdienst van de regionale GGZ-instelling. Zij vertelde dat zij deze patiŽnte niet kon/mocht doorverwijzen, dat de huisarts dat moest doen, maar dat die op vakantie was en zijn waarnemer de patiŽnte eerst wilde zien voordat hij zou kunnen doorverwijzen, dat deze waarnemer deze patiŽnte niet wilde doorverwijzen, omdat hij het met de diagnose niet eens was, dat de psychologe de patiŽnte toen presenteerde aan een bevriende psychiater, die patiŽnte vervolgens terstond verwees naar de crisisdienst, die de patiŽnte tijdelijk in behandeling nam, en om het af te sluiten niet met de klinisch psychologe, de behandelaar overlegde maar met de bevriende psychiater, die de patiŽnte na ťťn gesprek had doorverwezen, en haar nauwelijks kende.
Meer

Reageer |  reacties

Millennials missen een ontwikkeld backoffice

De Facebookgeneratie ofwel de millennials (geboren tussen 1980 en 2000) overbevolken onze GGZ. In tien jaar tijds nam bij deze generatie het slikken van antidepressiva met 40% toe. 72.000 zitten er vanwege arbeidsongeschiktheid thuis; in grote meerderheid gaat het om psychische themaís. In de GGZ trakteren wij ze op een etikettenepidemie: dyslexie, ADHD, ADD, hoogbegaafdheid, PTSS, autisme, Asperger, NLD, dyscalculie, borderline.
Meer

Reageer |  reacties

Voorkůmen is beter dan genezen

Denkt u eens na over het volgende rijtje: een jurist, een kantoorbeambte cq boekhouder, een rechtsgeleerde, een leraar, een voormalig metaalarbeider en vakbondsbestuurder, een arts, een jurist, een scheikundige, een voormalig secretaresse, een politicoloog en jurist, een TV-producer, een arts, een econoom, een historicus annex internationale betrekkingen-expert, een socioloog en een politicoloog. Weet u al waar ik op doel? Dat is de achtergrond van de ministers die de afgelopen 40 jaren Volksgezondheid in hun portefeuille hebben gehad.
Meer

Reageer |  reacties

Nascholingstrajecten