'PatiŽnten bestaan niet'

21 mei 2015

In de psychische gezondheidszorg vinden de meeste interventies plaats via het gesproken woord. Het overgrote deel van de wederzijdse beÔnvloedingen heeft hier een talig karakter, zowel tussen hulpverleners onderling als tussen hulpverleners en hun cliŽnten en naasten. In zoverre is het opmerkelijk dat we daar zo weinig bij stil staan – we gedragen ons als vissen die niet of nauwelijks in de gaten hebben dat ze in het water leven.

Taal is het belangrijkste gereedschap waarmee wij nieuwe ideeŽn ontwikkelen en met elkaar communiceren. Door te spreken en te schrijven beÔnvloeden we andere mensen. Via de toepassing van taal hebben we direct of indirect invloed op de psychische processen van anderen. Zo bezien is het uitspreken van woorden het stellen van daden. Het verklaart waarom we in de psychische zorg de hele dag met elkaar praten. Maar of het positief uitpakt is, net zoals dat met andere interventies zoals geneesmiddelen het geval is, nog maar de vraag. Het kan zeker ook negatief uitpakken, afstand scheppen, discrimineren en ertoe leiden dat de zorgrelatie voortijdig wordt afgebroken. Taal is namelijk ook een cultureel bepaald gereedschap. Het verbindt maar kan evengoed aanleiding zijn tot heftige conflicten. Omdat taal ambigu is, cultureel specifiek en voortdurend verandert, is er geen boekje waarin precies staat beschreven hoe het hoort. 

Praten is eigenlijk de enige ‘interventie’ die universeel wordt toegepast: door hulpverleners, omstanders zoals familieleden ťn door de direct betrokkenen. Daarmee is het op zichzelf beschouwd nog niet effectief. Het is ook opmerkelijk dat niet in alle richtlijnen en protocollen expliciet wordt gereflecteerd op taal en spraak als wellicht de belangrijkste ingrediŽnten van de psychische zorg.

Dat woorden daden zijn wordt al snel duidelijk wanneer we de aandacht richten op stigmatiserend taalgebruik. Denk hierbij aan het spreken over mensen in verzamelcategorieŽn op een negatieve en afwijzende manier. Bijvoorbeeld op een manier waarin een eigenaardigheid die een willekeurige groep mensen met elkaar deelt, wordt gebruikt als aangrijpingspunt om de groep te typeren. Het kan ‘met de beste bedoelingen’ plaatsvinden, maar het resultaat telt. Het is dus de vraag of de betrokkenen is gevraagd of ze daarmee instemmen, al geeft dat niet de doorslag. Je bent in moreel opzicht altijd zelf verantwoordelijk voor wat je zegt en hoe je dat doet. Ogenschijnlijk onschuldige voorbeelden van stigmatiserend of discriminerend taalgebruik zijn het spreken over verslaafden, autisten, borderliners of schizofrenen, en wat je al niet voor aandoening kunt hebben. Mensen zijn meer dan hun aandoening; juist voor het herstel is het cruciaal dat de betrokkenen zich in zekere zin kunnen ‘vervreemden’ van datgene waar ze last van hebben.

Een te vermijden uitdrukkingswijze is het gebruik van quasi-functionele afkortingen. Er zijn er die – dag in dag uit – spreken over LVB’ers, mensen met LVB (een licht verstandelijke beperking), LVB-problematiek en varianten hierop. Ik ervaar dat als foutief, discriminerend taalgebruik omdat het de toestand en levensmogelijkheden van de direct betrokkenen reduceert tot hun beperkingen. Het is een vorm van one size fits all-denken. In de psychische zorg is nu EPA (ernstige psychische aandoeningen) in zwang gekomen als aanduiding voor mensen met een ernstige psychische aandoening. Men ziet het in allerlei varianten, zoals ‘EPA-patiŽnten’. Ongetwijfeld is dit met de beste bedoelingen geÔntroduceerd. Maar het framen van een zeer heterogene groep mensen onder een eensluidende definitie bergt het risico van apart zetten en uitsluiting in zich.

Wanneer we over mensen spreken is het verstandiger afkortingen zoveel als mogelijk te vermijden en problemen voluit te benoemen. Het belang daarvan is dat dat een begin is van het op een meer gedifferentieerde en genuanceerde wijze spreken over en vooral met de direct betrokkenen. Anders gezegd: gehandicapten ‘bestaan niet’, wel mensen met een bepaalde handicap die er overigens vaak prima mee kunnen leven. Een hulpmiddel is altijd over mensen te spreken alsof ze er zelf bij zijn. Wellicht helpt dat al een beetje om je in te leven in het gevoel dat je bij anderen teweeg brengt als je je ongenuanceerd uitdrukt. Een ander hulpmiddel is als hulpverleners over anderen spreken alsof het over jou gaat. Dus, waar het gaat om LVB of EPA: hoe zou jij het vinden als anderen je indelen in zo’n categorie zonder jou daarover gepolst te hebben?

Psychische hulp heeft slechts zin als de betrokkenen weer greep krijgen op hun eigen leven en op de psychische processen die daarbij in het geding zijn. Om dat te faciliteren is een taal nodig die de cliŽnt helpt in zijn of haar karakter als subject en die niet het lijden maar het herstellen en het zich ontwikkelen centraal stelt. Wellicht heeft alleen daarom al de term ‘patiŽnt’ in de psychische gezondheidszorg niet de voorkeur. Het herinnert nog sterk aan traditionele verhoudingen, waarin mensen met ernstige psychische problemen nauwelijks iets te zeggen hadden over vorm en inhoud van de hulp, en louter object van zorg waren. In zoverre zou in de moderne psychische gezondheidszorg moeten gelden: ‘patiŽnten bestaan niet’.

Vacatures

MEER OVER DEZE VACATURE >>

Opinie

Staat de patiŽnt wel centraal?

Enige tijd geleden sprak ik een vrijgevestigd klinisch psychologe over haar ervaringen binnen de geestelijke gezondheidszorg. Zij vertelde over een depressieve patiŽnte die zij wilde verwijzen naar de crisisdienst van de regionale GGZ-instelling. Zij vertelde dat zij deze patiŽnte niet kon/mocht doorverwijzen, dat de huisarts dat moest doen, maar dat die op vakantie was en zijn waarnemer de patiŽnte eerst wilde zien voordat hij zou kunnen doorverwijzen, dat deze waarnemer deze patiŽnte niet wilde doorverwijzen, omdat hij het met de diagnose niet eens was, dat de psychologe de patiŽnte toen presenteerde aan een bevriende psychiater, die patiŽnte vervolgens terstond verwees naar de crisisdienst, die de patiŽnte tijdelijk in behandeling nam, en om het af te sluiten niet met de klinisch psychologe, de behandelaar overlegde maar met de bevriende psychiater, die de patiŽnte na ťťn gesprek had doorverwezen, en haar nauwelijks kende.
Meer

Reageer |  reacties

Millennials missen een ontwikkeld backoffice

De Facebookgeneratie ofwel de millennials (geboren tussen 1980 en 2000) overbevolken onze GGZ. In tien jaar tijds nam bij deze generatie het slikken van antidepressiva met 40% toe. 72.000 zitten er vanwege arbeidsongeschiktheid thuis; in grote meerderheid gaat het om psychische themaís. In de GGZ trakteren wij ze op een etikettenepidemie: dyslexie, ADHD, ADD, hoogbegaafdheid, PTSS, autisme, Asperger, NLD, dyscalculie, borderline.
Meer

Reageer |  reacties

Voorkůmen is beter dan genezen

Denkt u eens na over het volgende rijtje: een jurist, een kantoorbeambte cq boekhouder, een rechtsgeleerde, een leraar, een voormalig metaalarbeider en vakbondsbestuurder, een arts, een jurist, een scheikundige, een voormalig secretaresse, een politicoloog en jurist, een TV-producer, een arts, een econoom, een historicus annex internationale betrekkingen-expert, een socioloog en een politicoloog. Weet u al waar ik op doel? Dat is de achtergrond van de ministers die de afgelopen 40 jaren Volksgezondheid in hun portefeuille hebben gehad.
Meer

Reageer |  reacties

Nascholingstrajecten