De taal van herstel

8 juli 2015

Zorgvuldig taalgebruik is een loffelijk streven maar is in de psychische gezondheidszorg met zoveel disciplines en aparte functies moeilijk te realiseren. Vooral in grote zorgorganisaties is het heel lastig elkaar werkelijk te verstaan. Het zou ideaal zijn als we beschikten over een gemeenschappelijke taal die wars is van het jargon dat in en om de zorg vaak een vervreemdend effect heeft. Hulpverleners hanteren immers allemaal een eigen taal. Dat doen ook degenen die over het vastgoed gaan of de ICT. De zorgverzekeraars hanteren een taal die gaat over ‘productie’, en de toezichthouders zijn meer geÔnteresseerd in accountability dan in vertogen over herstel. Ook ervaringswerkers hebben in de instellingen een niche bezet met deels eigen betekenissen en terminologie. 

De diverse talen maken van de sector een soort Toren van Babel. Dit bemoeilijkt het om samenhang en samenwerking te bewerkstelligen. Deels is het functioneel dat diverse groepen hun eigen taal spreken: ze kunnen elkaar, in hun eigen groep, met weinig woorden goed verstaan. Daarmee brengen ze effectief hun ervaringen en kennis onder woorden. Dialecten of jargons maken diversiteit mogelijk. In zulke talen is kennis bijeengebracht die in een gemeenschappelijke taal waarschijnlijk verloren zou gaan. Maar het nadeel is ook duidelijk: onverstaanbaarheid tussen groepen of segmenten en geen gedeelde definities van centrale concepten. Veel plannen en goede voornemens gaan daardoor verloren in de vertaling van de ene taal in de andere (lost in translation), en dan hebben we het nog niet eens over bewuste tegenwerking. Dat doet zich niet alleen voor op het wereldtoneel, tussen landen en taalgemeenschappen, maar ook in een mini-maatschappij als een grote zorginstelling. Hiervoor bestaat geen gebruiksklare oplossing. Maar als we ons ervan bewust zijn, en het probleem hardop uitspreken of benoemen, is het wel mogelijk per onderwerp te zoeken naar oplossingen. De maatstaf daarbij is dat die voor zoveel mogelijk mensen betekenis hebben, en in het bijzonder de cliŽnten ondersteunen in hun herstelproces.

Veel hulpverleners voelen zich vervreemd van de oorspronkelijke motieven voor de keuze van hun vak. Veel van hun bazen, maar vooral de bazen van hun bazen, spreken immers een managementtaal (herkenbaar aan een overdosis Engelse termen) die ver van die motieven af staat. Ergens is het wel fijn dat de meeste cliŽnten daar niet direct mee worden geconfronteerd. Maar het is ook wel weer jammer, omdat ze daardoor de tegenstrijdige logica waar veel instellingen in verstrikt zijn geraakt, minder goed kunnen begrijpen. Het is bovendien onwaarschijnlijk dat de managementlogica geen invloed heeft op het contact met hun hulpverlener. Alle mooie verhalen over herstel die op ‘de werkvloer’ worden verteld ten spijt, ben je als cliŽnt op een iets hoger ‘aggregatieniveau’ gewoon een object van productie. Je medewerking daaraan levert, volgens de DBC-systematiek, zus en zo euro op. Dat dit tot pervers gedrag kan leiden laat zich raden.

Is hier niks tegen te doen? Jawel, althans we kunnen er een begin mee maken om, bij welke taal we ook spreken, en in welke hoedanigheid we dat ook doen, een paar principes te laten gelden. Ik noem er drie. In de eerste plaats: laten we afspreken dat wat we ook schrijven of zeggen, we dat doen op een manier dat de meeste cliŽnten en hun verwanten ons kunnen verstaan ťn begrijpen. En laten we daarbij in gedachten nemen dat ze meelezen of meeluisteren. Dit voorkomt dat je afdrijft van het perspectief van de cliŽnten. En denk er, om te oefenen, ook af en toe aan dat het over jou had kunnen gaan.

Zet in de tweede plaats, in je denken over en handelen ten aanzien van cliŽnten, altijd hun subjectkarakter centraal. Zeker, mensen zijn zowel subject als – vanuit het perspectief van anderen – een object. Maar toch loont het de moeite niet alleen te roepen dat je de cliŽnt ‘centraal’ stelt, maar ook echt probeert in zijn of haar huid te kruipen. Hoe erg de psychische toestand van iemand ook is, en hoezeer je zelf als hulpverlener vaak het initiatief moet nemen, alle mensen hebben een basale behoefte tot autonome zelfregulatie. Dit is een universele wet, en die geldt ook voor cliŽnten met een ernstige psychische aandoening. Ook niet-hulpverleners moeten zich aan deze wet houden. En in de derde plaats, als consequentie van de eerste twee principes, geldt dat we in onze taal de participatie van cliŽnten en hun verwanten in en rondom de zorg werkelijk centraal moeten stellen – op alle niveaus van de organisatie en de sector. Ik denk hierbij aan het maken van plannen en de uitvoering ervan. De vraag is telkens: is de participatie een ‘aspect’ dat ergens wordt genoemd, of wordt het daadwerkelijk gezien als de motor zonder welke de zaak niet echt gaat werken? En dus: is onze taal al geschikt om die participatie te bevorderen?

Verstaanbare en begrijpelijk taal, waarbij het subjectkarakter van de cliŽnt centraal staat, en die is doordesemd van werkelijk gemeende participatie, stel ik voor als beoordelingscriteria voor het taalgebruik in de psychische zorg. Maar let op: dit geldt voor Šlle betrokkenen, niet alleen voor hulpverleners. We hebben congruent werkende organisaties nodig: wat geldt voor psychiaters, psychologen, verpleegkundigen en sociaal werkers, geldt ook voor hun bazen, en de bazen en toezichthouders van die bazen, hun financiers en wie dan ook.
Voor herstel is natuurlijk veel meer nodig dan correct taalgebruik, maar het helpt wel.


Lees ook de column van drs. Alexander Achilles 'Medicatie in de spoedpsychiatrie: appeltje eitje of toch niet?'

Vacatures

MEER OVER DEZE VACATURE >>

Opinie

Een zondebok aanwijzen helpt niet

In het boek ĎVeiligheid in de ggz. Leren van incidenten en calamiteitení dat psychiater Alette Kleinsman en calamiteitenonderzoeker Nico Kaptein onlangs publiceerden, komen drie lessen steeds weer terug. Een: het helpt niet om Ė in het geval van een ernstig incident of calamiteit Ė een zondebok te zoeken, want fouten worden gemaakt als sluitstuk van een proces waaraan allerlei professionals een bijdrage leveren. Twee: zorg voor een open cultuur waarin iedereen zich vrij voelt om elkaar aan te spreken. En drie: zorg ervoor dat iedereen zich verantwoordelijk voelt voor veiligheid.
Meer

Reageer |  reacties

Duizend bloemen, een paar teveel

Hoogleraar Jim van Os sprak recent in NRC Handelsblad zijn zorg uit over de achteruitgang van de psychiatrie in Nederland. Het toenemend aantal gevallen van euthanasie bij mensen met ernstige psychische aandoeningen is daar volgens hem een symptoom van. De verwaarlozing kost mensenlevens. Hij bepleit een focus op persoonlijk herstel. Marian Draaisma van zorginstelling Pluryn klaagde in dezelfde week in het AD over een verschuiving van werkzaamheden van de jeugdpsychiatrie naar de jeugdzorg. Dit verklaart volgens haar waarom het aantal suÔcides bij de betrokken jongeren nog nooit zo hoog is geweest. Ook hier gaat het om vragen over leven en dood. De oplossing ligt hier in de handen van gemeenten. En GGZ-instelling Emergis in Zeeland dreigde eind augustus met een behandelstop voor de rest van dit jaar. De zorgverzekeraar heeft te weinig zorg ingekocht.
Meer

Reageer |  reacties

FACT-werk en specialistische zorg in ťťn team

ĎBinnen GGZ Noord-Holland-Noord hebben we drie programmaís geschreven die de komende drie jaar hun beslag moeten krijgení, vertelt Marijke van Putten, lid van de raad van bestuur. ĎVoorheen werkten we via twee sporen: de FACT-teams en diagnostisch gerichte specialistische teams. Deze voegen we samen tot geÔntegreerde teams die wijk- en herstelgericht zijn. Teams met ervaringsdeskundigen en IPS-medewerkers die mensen begeleiden naar werk, maar ook met specialistische behandelkennis.í
Meer

Reageer |  reacties

Nascholingstrajecten