Wie is in de war?

28 juli 2016

De nieuwe hype in en om de psychische zorg is de ‘de verwarde mens’. Een groot aantal gemeenten registreert een toename van als ‘overlast’ geregistreerde incidenten. De politie zag het afgelopen jaar het aantal meldingen toenemen met 17%, waardoor er het afgelopen jaar ruim 52.000 keer sprake is geweest van een incident. Nu.nl tekende in juli uit de mond van een politiewoordvoerder op dat “het gaat dan om kleine opstootjes, maar soms ook om incidenten waarbij iemand in verwarde toestand een bedreiging vormt voor zichzelf of zijn omgeving”. Als belangrijkste oorzaak van deze stijging worden telkens bezuinigingen op de psychische zorg en/of de transitie naar wijkgericht werken genoemd. Maar ook in de recente golf van terroristische aanslagen, zoals in Duitsland, is steeds vaker sprake van verwarde personen.

Er zijn genoeg redenen om ons serieus bezig te houden met mensen met ernstige psychische problemen – liefst intensiever en in een veel vroeger stadium dan nu het geval is. Toch stel ik dat verwarde personen ‘niet bestaan’. Ik ontken niet dat de betrokkenen ernstige psychische aandoeningen hebben met een duurzaam beloop, en dat ze in samenhang hiermee ook een reeks andere somatische en sociale problemen ervaren. Door hen als ‘verwarde personen’ aan te duiden doen we de betrokkenen en hun problemen evenwel geen recht. In de eerste plaats moeten we, vanuit een ethisch standpunt, altijd spreken over
‘mensen met ...’. Hoezeer de problemen hun manifeste gedrag bepalen, de mensen zijn beslist meer dan het label dat wij ongevraagd op hen plakken. ‘Mensen met verward gedrag’ is dan al ietsje beter. Daarnaast kun je je afvragen of we met dat woordje ‘verward’ de problemen niet te mooi maken. Termen als ‘verwarde personen (overigens net als ‘psychische kwetsbaarheid’ of ‘psychosegevoeligheid’) hebben zeker iets sympathieks. Ze verzachten wat en brengen het abnormale meer in het domein van het normale. Maar tegelijkertijd zijn het ook verhullende eufemismen.

Belangrijker nog is dat complexe problematiek wordt verengd tot ‘verwarring’ en dat leidt in veel gevallen tot schijnoplossingen op de korte termijn. We denken (of we doen alsof) dat we problemen met of voor mensen al voor de helft opgelost hebben als we er een nieuwe categorie voor bedacht hebben, en consensus hebben gevormd over een werkzame definitie. Plus dat we tellingen hebben verricht, er een ‘plan van aanpak’ en een budget is, een aanjaagteam aan het werk is gesteld, en nog wat van die bestuurlijke snufjes. We hebben het zelden over de perceptie van degenen die anderen wel of niet als ‘verward’ aanduiden, alsook hun ‘ongemakkelijke’ gevoel hierbij. Het hindert toenadering en sociale integratie en het maakt verlegenheid in het handelen bij burgers, bestuurders en zeker ook professionals manifest. Het ongemak komt denk ik voort uit een diepgewortelde intolerantie ten aanzien van diversiteit.

Die intolerantie tegenover afwijkingen zit ook in de manier waarop de ‘moderne’ samenleving functioneert. Vooral in Nederland zijn de voorzieningen zodanig gestructureerd en gefinancierd, dat wat niet precies binnen het formeel afgesproken werkterrein valt, en waar geen passende financieringsregeling voor is vastgesteld, niet wordt opgemerkt of wordt buitengesloten. Dat voorspelt het ontstaan van telkens nieuwe doelgroepen ‘tussen wal en schip’. En daarvoor moet eerst weer een ‘regeling’ voor worden bedacht, eerst de effectiviteit worden aangetoond, nieuwe formulieren voor worden ontworpen.

Je kunt je afvragen ‘wie is in de war’? Zijn dat de mensen waarvoor we nieuwe hulpdiensten moeten creëren? Of ligt het probleem bij al die actoren (bestuurders, financiers, professionals en gewone burgers) die telkens het ene probleem ‘oplossen’ door een nieuw probleem te creëren, maar zelden hun doelen bereiken? We leven in een rijk land, met veel voorzieningen, kennis en hoogopgeleide mensen. Dat we nu ineens zoveel aandacht moeten of willen geven aan ‘verwarde personen’ zegt meer over ons, ons functioneren, dan over die mensen. Kortom: de verwarring zit bij onszelf.

 U kunt Jaap van der Stel op twitter volgen via @Lectoraat_GGZ

Vacatures

MEER OVER DEZE VACATURE >>

Opinie

FACT-werk en specialistische zorg in één team

‘Binnen GGZ Noord-Holland-Noord hebben we drie programma’s geschreven die de komende drie jaar hun beslag moeten krijgen’, vertelt Marijke van Putten, lid van de raad van bestuur. ‘Voorheen werkten we via twee sporen: de FACT-teams en diagnostisch gerichte specialistische teams. Deze voegen we samen tot geïntegreerde teams die wijk- en herstelgericht zijn. Teams met ervaringsdeskundigen en IPS-medewerkers die mensen begeleiden naar werk, maar ook met specialistische behandelkennis.’
Meer

Reageer |  reacties

Psychisch gezond in een opgewarmde aarde

Discussieforum over professionaliteit in de zorg voor medisch specialisten, artsen, psychologen, bestuur en management. Van Der Hoef & Partners biedt u een platform, of forum, dat gebruikt zal worden om thema’s die van belang zijn bij de dagelijkse praktijk van de geneeskunde te belichten. Een ruimte voor het voeren van een discours.
Meer

Reageer |  reacties

Het is ontegenzeggelijk de schuld van de manager; of niet soms?

In haar column in Medisch Contact van juni 2017 probeert Esther van Fenema aan een peuter uit te leggen wat een manager doet: ‘Een manager is een meneer of een mevrouw die dingen regelt en heel veel moet vergaderen met andere mensen om die dingen te kunnen regelen’ waarop de kleuter stampvoetend roept: ‘Ja maar wat kan hij dan?’. Ik vroeg me af hoe zij aan diezelfde peuter zou uitleggen wat een psychiater doet? Ik neem aan dat zij het zo zou weten uit te leggen dat die peuter ervan overtuigd is, dat een psychiater heel wat kan ook al zegt men - dat zijn vooral chirurgen - dat een psychiater niets weet en niets kan.
Meer

Reageer |  reacties

Nascholingstrajecten